Freelance

De partijvraag in dossier schijnzelfstandigheid: vergeten realiteit

ZiPconomy
De partijvraag in dossier schijnzelfstandigheid: vergeten realiteit

Samenvatting

De partijvraag bij schijnzelfstandigheid bepaalt eerst wie contracteert, en kan de uitkomst van de arbeidsovereenkomsttoets volledig kantelen.

Partijvraag vóór kwalificatievraag

Advocaat Joost van Ladesteijn van Vertex Legal stelt dat rechters en praktijkpartijen in het dossier schijnzelfstandigheid vaak te snel naar de kwalificatievraag springen. Volgens hem hoort daar eerst een andere stap vóór te zitten: vaststellen tussen welke partijen überhaupt een overeenkomst bestaat. Gaat het om de werkende als natuurlijke persoon, of om de rechtspersoon waarmee is gecontracteerd, zoals een BV of maatschap?

Die volgorde is niet alleen juridisch netjes, maar ook bepalend voor de rest van de beoordeling. Als de partijvraag anders uitpakt, kom je mogelijk helemaal niet toe aan de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Eigen toetsingskader met andere uitkomsten

Van Ladesteijn benadrukt dat de partijvraag een eigen toetsingskader kent dat wezenlijk verschilt van de arbeidsovereenkomsttoets uit artikel 7:610 lid 1 BW. In zijn stuk plaatst hij de partijvraag in de context van het algemene contractenrecht, met verwijzingen naar artikel 6:213 BW en artikel 6:217 BW, die gaan over het bestaan en tot stand komen van overeenkomsten.

Voor de beantwoording van die partijvraag wijst hij op de ABN AMRO/Malhi-doctrine. Daarnaast bespreekt hij hoe de Webmodule beoordeling arbeidsrelatie en de in de Memorie van Toelichting bij de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden genoemde realiteitswaarde-toets kunnen helpen bij het bepalen wie in werkelijkheid contractspartij is.

Lees het volledige artikel
Meer over Freelance →